Bloeddruk
De bloeddruk wordt bepaald door de hoeveelheid bloed die het hart per minuut rond pompt enerzijds en de weerstand in de bloedvaten anderzijds. De bloeddruk wordt weergegeven door middel van twee kengetallen, de systolische druk of bovendruk en de diastolische druk of onderdruk, gescheiden door een schuine streep, b.v. 130/85 mm Hg. Zowel een te lage als een te hoge bloeddruk kan tot gezondheidsproblemen leiden. Het eerste geval is zeldzaam, het tweede komt veel voor. Bij langdurige hoge bloeddruk kan er ook schade optreden aan de grote slagaderen, dit leidt tot verkalking van de slagaderen. Hierdoor hebben mensen met onbehandelde hoge bloeddruk een hoger risico op een beroerte, hartaanval, hartfalen, oog- en nierproblemen. Indien noodzakelijk kan hoge bloeddruk met verschillende medicijnen behandeld worden waaronder:
-
Bètablokkers zorgen ervoor het hart langzamer en minder krachtig gaat slaan. Zo wordt het hartritme en de kracht van de beweging van de hartspier geregeld.
-
Plastabletten (diuretica), bijv. hydrochloorthiazide of furosemide, zijn werkzaam in de nieren en zorgen ervoor dat je vaker gaat plassen en zo overtollig vocht kwijtraakt.
-
Calcium-kanaalblokkers zorgen ervoor dat het calciumkanaal geblokkeerd wordt, zodat de spieren in de bloedvaten niet kunnen samentrekken. Dit leidt tot verlaging van de weerstand en daardoor tot verlaging van de druk in de bloedvaten.
-
ACE remmers, bijvoorbeeld renitec, remmen de vorming van het hormoon angiotensine II. Angiotensine II heeft een aantal functies in het lichaam. De belangrijkste is het vernauwen van de bloedvaten, wat leidt tot een hoge bloeddruk. Daarnaast zorgt angiotensine II ervoor dat de nieren vocht vasthouden. Door het blokkeren van de werking of vorming van angiotensine II worden de bloedvaten wijder en daalt de bloeddruk.